Columns > Soms vrolijk, soms treurig

Soms vrolijk, soms treurig

Na afloop blijkt pas dat mijn schoonmoeder, mijn vrouw en ik een historisch optreden bijwoonden van een meezingkoor uit de regio. ‘Dit was de laatste keer hier,’ zegt de dirigent tegen mijn vrouw. Ze traden al twee keer eerder op in dit buurthuisje in Tilburg, maar een vierde keer zit er niet in. Volgens de dirigent van het koor kennen de mensen in deze buurt het repertoire onderhand wel.

Mijn vrouw knikt begrijpend.

Het koor bestaat voor de pauze uit 25 personen en na de pauze uit 24 – een van de leden besluit na het eerste deel de rol van koorlid te verwisselen met die van publiek. Daardoor zijn er voor de pauze tien toehoorders en na de pauze elf. Plus vijf vrijwilligers van het buurthuis. Die zijn druk met entreegeld innen, drankbestellingen opnemen en brengen – ‘Nee, pinnen kan niet’ – en rondgaan met schijfjes worst en blokjes kaas. Met mosterd en mayo. ‘Neem gerust, er is genoeg.’ En of we alsjeblieft de rollator van schoonmoeder aan de kant willen zetten. ‘Ik ben niet meer zo goed ter been en dus struikel ik nogal eens over de wieltjes.’

Elk optreden van dit koor begint met een oproep aan de zaal om mee te zingen (‘We zijn immers een meezingkoor’) en om te dansen. Daarna volgt het lijflied. ‘Hier zijn we, hier zijn we, hier zijn we dan alweer / Niet vijftien, niet twintig, maar dertig ongeveer / We zingen een liedje voor u heel graag vandaag / Soms vrolijk, soms treurig, dat is nog maar de vraag.’

Zo nu en dan is het vrolijk noch treurig. ‘Geblèr over ’n megastal kunnen ze hier ook goed / Niemand snapt dan ook hoe je hier politiek bedrijven moet / Burger Jan snapt al niets meer van ’t politieke spel / En zo nu en dan is er weer, telkens weer, ’n fikse rel.’

 

In de pauze vertel ik mijn vrouw hoe ik eind jaren tachtig eens een reportage voor de krant maakte over een kerstdiner in Oss voor eenzame stadsgenoten. Er was door pakweg dertig mensen aan gewerkt en toen het zover was, waren alleen die dertig er. Die zeiden tegen elkaar dat de opkomst tegenviel en dat ze er ondanks dat samen toch maar wat van moesten maken. Al mee etend viel bij mij het kwartje. Niemand komt af op een diner voor eenzame mensen en dus bedacht een professional van de lokale welzijnsclub om aan eenzame mensen te vragen of ze een diner wilden verzorgen voor eenzame mensen. Het kerstmaal was een succes, want trok maar liefst dertig mensen uit de doelgroep.

We zijn deze zondagmiddag niet bij een optreden. We zijn bij een dagbesteding voor 25 en even later 24 zingende mensen. En nee, daar is niks mis mee.

 

Na de pauze worden verzoeknummers, verzameld in de pauze, gezongen. Tijdens het derde nummer loopt een van de koorleden plots het zaaltje in. Even denk ik dat het koor van 25 via 24 naar 23 leden gaat, maar ze is weer snel terug op haar plaats – zij het met een uit de zaal meegenomen stoel. Die is voor een bariton met baard die niet heel lang kan staan.

Achterin de zaal waagt een echtpaar een dansje. Duimen van de koorleden gaan omhoog. Jullie snappen wat de bedoeling is, zeggen de duimen.

Een paar meter van me vandaan treffen twee bekenden, een man en een vrouw, elkaar.

‘Hé, des lang geleeje,’ zegt de vrouw.

‘Des zeker lang geleeje.’

‘Hoe ist nou?’

‘We zèn d’r nog.’

‘Dè zedde goed. En veul mir mode nie wense.’

‘Zo ist.’

 

Dan komt, zoals de dirigent even daarvoor aankondigde, de uitsmijter. Engelbewaarder. Mijn vrouw zingt de uitsmijter vrolijk mee, zo nu en dan zuigend aan haar rietje in het flesje Tonic dat ze kreeg omdat ze Bitterlemon bestelde.