Pro bono
De officiële start van PRO, gisteren in Den Bosch, was voor mij vooral de begrafenis van de PvdA.
Ik ben te lang weg bij de PvdA (in 2016 geroyeerd, met trouwens een te billijken reden) om er echt sentimenteel over te doen, maar ik baal er wel van. Het begin van PRO is immers het einde van de meest invloedrijke politieke partij van naoorlogs Nederland. De partij die meer heeft bereikt op het gebied van een eerlijke verdeling van kennis, macht en welvaart dan welke partij of beweging in dit land ook. De partij die ietwat tap-tap (lees: bevoogdend), maar wel erg succesvol, tot een halve eeuw geleden deed aan het verheffen van de arbeidersklasse. De partij die begreep dat een eerlijk, warm en zelfs economisch sterk (jazeker, meelezende VVD-ers) land begint bij een overheid die sterk is.
Wat de PvdA en ik begrepen: een warme en sterke samenleving begint bij De Publieke Zaak. In het Latijn: pro bono – maar daar is die nieuwe partijnaam dan weer niet op gebaseerd. Want pro staat voor progressief en dat is wat anders dan de publieke zaak. Anders dan links.
Progressief gaat over culturele diversiteit, klimaatverbetering en internationale samenwerking. Ik omarm al die progressieve idealen enthousiast, maar weet dat het succes ervan begint bij wat we links noemen. Bij sociaaldemocratie dus. Met de strijd voor een sterke verzorgingsstaat en tegen de uitwassen van het kapitalisme.
Het betekent dat de overheid de baas is over de markt en zo kapitalistische excessen tegengaat. Dat gezondheidszorg, onderwijs en sociale zekerheid voor iedereen beschikbaar zijn. Dat welvaart eerlijk wordt verdeeld: forse belasting op vermogen en hoge inkomens en amper belasting op lage inkomens.
In de vorige alinea ging het niet over biodiversiteit, vrije uitloopkippen, inclusie en een gekozen burgemeester (heeft iemand D66 daar trouwens nog over gehoord, de afgelopen veertig jaar?) en dat komt omdat mensen daar pas zin in hebben als de basis op orde is. Als de huisarts tijd heeft, als de ziekenhuisopname gratis of in ieder geval betaalbaar is, als voorzieningen die ertoe doen van de overheid en dus van de samenleving zijn, als scholen goed onderwijs geven, als huizen beschikbaar en betaalbaar zijn en als er na aftrek van belasting ook voor praktisch- of ongeschoolden genoeg overblijft om fatsoenlijk van te leven.
Samengevat: als de sociaaldemocratische idealen zijn verwezenlijkt.
Met de begrafenis van de PvdA is de kans zo goed als verkeken dat die idealen in zicht komen. Afgelopen week zei iemand me: ‘Waar groenen en sociaaldemocraten de handen ineen slaan, winnen de groenen.’
Dat is op zich al erg, maar wat nog erger is: de groenen gaan het niet winnen van rechts. De groenen voelen niet die intrinsieke motivatie om te knokken voor een ijzersterke, nabije en beschermende overheid. Wie daar niet voor knokt, stemt stilzwijgend in met een alsmaar verder terugtrekkende overheid. En waar de overheid zich terugtrekt, neemt het wantrouwen in die overheid toe. Dat leidt bijna automatisch tot wantrouwen tegen de politiek en zelfs tegen de democratie.
Daar spinnen de groenen geen garen bij en de sociaaldemocraten evenmin. Maar ook de christendemocraten, sociaalliberalen, liberalen en zelfs de Yesilgöz-neoliberalen profiteren er niet van. Uiteindelijk zijn de winnaars de politici die hard roepen dat de overheid en de politiek niet deugen. En eraan toevoegen dat buitenlanders, Joden en/of mensen van kleur ook niet te vertrouwen zijn.
Zij van extreemrechts hadden gisteren een goede dag. Want gisteren is de sociaaldemocratie begraven.