Privacy in de jaren tachtig
‘Het mag niet van de AVG.’ Dat zinnetje komt sinds tien jaar nogal eens voorbij tijdens vergaderingen, Team-meetings en overleggen in appgroepen. Want zo lang bestaat de Algemene Verordening Gegevensbescherming, las ik in het magazine van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. De AVG, een Europese wet over de opslag van persoonsgegevens (niet lukraak van alles opslaan en wat wordt opgeslagen dient veilig te gebeuren), het delen daarvan en het recht van u en mij om te weten wie welke informatie van ons heeft en waarom.
Ik doe voor mijn werk wel eens dingen in de jeugdhulp en daar komt de AVG ook wel eens voorbij. En dan vooral hoe kwalijk het voor kwetsbare jongeren is dat allerlei mensen en organisaties, die zich bekommeren over zo’n jeugdige, informatie niet mogen delen. Waarbij er trouwens altijd iemand een vinger opsteekt om uit te leggen dat er meer mag dan wordt gedacht. Wat dan weer leidt tot een discussie over de gevaren van te veel delen, van informatie opslaan en van met AI en algoritmes risicoanalyses loslaten op die informatie. ‘Toeslagenaffaire, mensen,’ roept dan iemand.
Mensen knikken dan.
Ik zit wel eens bij dat soort gesprekken en dan borrelen er steevast herinneringen op aan verlogen tijden. Dat krijg je als je, zoals ik, al een flink eind boven de 60 bent.
Dan denk ik aan hoe het er eind jaren tachtig aan toeging. Ik was journalist bij een huis-aan-huisblad in Tiel en volgde stukjes schrijvend de tijdgeest. Die was oppervlakkig beschouwd een beetje als nu: vandaag is het kut, maar morgen is het nog kutter. Waar nu klimaatverandering en de opkomst van extreemrechts de redenen zijn, waren dat toen de vrees voor een kernoorlog, werkloosheid en de daarmee gepaard gaande armoede. En dus bedacht ik om een diepte-interview te houden met iemand die pas net in de bijstand zat. Over hoe dat zo was gekomen, wat voor een inkomensduikeling het betekende en hoe met die karige inkomsten te leven.
Maar waar vind je zo iemand?
In de openbare besluitenlijst van het college van burgemeester en wethouders. Journalisten konden die elke dinsdag ophalen bij de persvoorlichter en daarin stond welke mensen de afgelopen week van het college het recht hadden gekregen op een bijstandsuitkering. Naam, voorletters en adres.
Met die naam en dat adres was via de telefoongids, een dik boek met flinterdun papier, het telefoonnummer snel gevonden. En kon ik bellen.
De kersverse bijstandsgerechtigde nam op. Ik vertelde over het verhaal wat ik wilde schrijven en of ik langs mocht komen voor een interview.
‘Ja, dat mag. Maar hoe weet u dat ik in de bijstand zit?’
‘Dat staat in de openbare besluitenlijst van burgemeester en wethouders.’
‘O ja, natuurlijk. Schikt morgenmiddag?’