Stadswandeling in Zwolle
Voor mijn vrouw en ik is een stedentrip pas een stedentrip als er een stadswandeling met gids in zit. Zo’n gids is zowat altijd apetrots op zijn of haar stad. In Middelburg was een gids ooit vooral druk met vertellen wat er allemaal mis is met Vlissingen. En in Delft hoorden mijn zonen en ik hoe een toren daar pakweg vijf eeuwen geleden op een bijzondere manier was gebouwd. ‘Ze begonnen onderaan en eindigden boven.’ Mijn zonen en ik zeiden ‘Joh’ en de gids knikte. ‘Je kunt het je bijna niet voorstellen, hè?’ Uren later filosofeerden mijn zonen en ik bier drinkend over wat voor methoden er nog meer zijn om een toren te bouwen.
Dit keer gaan mijn vrouw en ik zonder zonen of dochter naar Zwolle. Want we willen het carnaval ontvluchten. In Zwolle treffen we duizenden Zwollenaren in bananenpakken, kielen, Teletubbie-outfits, boeventenues en ander verkleedgedoe. Het is carnaval in Zwolle. Een beetje zoals in het Brabantse Den Bosch, maar dan met iets meer ruimte op straat om te hossen en de polonaise te doen. De stadsgids moet er zijn route voor aanpassen. ‘Op de Markt komt zo de optocht voorbij. Dan kunnen we daar niet oversteken.’
Al wandelend vertelt de gids over hoe er een riviertje onder het stadshart stroomt. ‘Zoals De Dieze in Den Bosch,’ zeg ik.
We lopen langs de kerk Onze Lieve Vrouw Tenhemelopneming en tegen die kerk staat een toren, in de volksmond De Peperbus. ‘De toren is van de gemeente, de kerk niet.’ ‘Net als bij de Sint Jan in Den Bosch,’ zeg ik. Daarna vertelt de gids dat er onder het bewind van de protestante Oranjes lange tijd geen katholieke missen mochten worden gehouden in die kerk. ‘In de Sint Jan ook niet,’ zeg ik.
We wandelen verder door pittoreske straatjes en de gids vertelt dat het eind jaren zestig maar weinig had gescheeld over het hele historische centrum was platgegooid en had plaats gemaakt voor brede wegen en kantoren van beton en glas. Ik knik en zeg dat het in Den Bosch precies zo ging. Ook daar scheelde het toen maar een haartje.
De gids opent een blikje en biedt de deelnemers van de wandeling Zwolse balletjes aan. ‘De snoepjes stopten mensen vroeger in hun wangzak,’ zegt de gids. Ik versta even dat ze de balletjes stopten in ‘hun wang, zak’ en trek mijn wenkbrauwen omhoog. ‘En zo werd de koffie die ze dronken minder bitter.’ Ik vertel dat Bosschenaren koffie drinken met een Bossche bol en dat het effect hetzelfde is.
Mijn vrouw en ik zijn niet de enige deelnemers aan de stadswandeling met gids. Er is nog een ander stel en dat stel heeft een hond. De hond heeft een hesje over zijn rug gebonden en daarop staat dat ie een hulphond is. Het blijkt een hulphond in opleiding. ‘Hij plaste vanmorgen nog in de Douglas,’ zegt de man. ‘En daarna in de Mediamarkt,’ zegt de vrouw. Maar ze stellen vast dat de hulphond in opleiding het in het carnavalsgedruis goed doet. ‘Hij blijft rustig. Het wordt een hulphond voor psychiatrisch patiënten, denken we.’
De gids, mijn vrouw en ik knikken. Ik wil zeggen dat Den Bosch ook een Douglas en een Mediamarkt heeft en besluit te zwijgen.